Mijn zoute ontgroening deel 3

groepsfoto Bergen
Foto Johan Detollenaere

‘Ligt daar nou sneeuw,’ Jaap wijst naar de bergen voor zich en pakt de verrekijker.
‘Sneeuw’, roep ik.
Iedereen komt naar buiten. Onder een stralende zon en blauwe hemel opent zich een horizon met besneeuwde bergtoppen.
‘Sneeuwt het?’ Carl kijkt verbaast om zich heen.
‘Nee, daar’, ik wijs naar de bergen. ‘Wat cool. We zeilen door de sneeuw.’
‘Dat kunnen niet veel mensen zeggen,’ lacht Jaap.
Ik pak mijn telefoon om foto’s te maken. Dit is iets wat ik zeker thuis wil laten zien.
‘Heeft iemand mijn paspoort gezien?’ Jan Arnoud steekt met een bezorgd gezicht zijn hoofd naar buiten.
‘Misschien in de kaartentafel.’ Jacqueline loopt naar binnen. ‘Ik weet zeker dat ik het heb teruggeven.’

Laveren door nauw vaarwater vol rotsen en een onvoorspelbare wind is iets te veel risico voor ons

We varen op de motor van Tananger naar Haugesund. Er staat wel wat wind, maar die is pal tegen. Laveren door nauw vaarwater vol rotsen en een onvoorspelbare wind is iets te veel risico voor ons. We besluiten de nacht door te brengen in de Marina van Haugesund. De kade in de haven van de binnenstad is hoog en voorzien van autobanden en daar wil de kapitein de boot liever niet aanmeren. Begrijpelijk.
‘Hé!’ We varen langs een appartementencomplex waar een man enthousiast staat te zwaaien.
‘Volgens mij is het een Nederlander,’ zeg ik. ‘Hij zwaait net iets te enthousiast.’
In de Marina is er geen plek voor ons. We varen weer terug naar de haven in de stad.
De man staat nu te zwaaien met een Hollandse vlag. Samen met Jaap, Johan en Jacqueline maak ik ’s avonds een wandeling door stad. Het is uitgestorven want het is Witte Donderdag en de meeste Noren zijn vrij en zitten met hun familie waarschijnlijk in hun vakantiehuisje ergens in de bergen. Terug in de boot genieten we van een glaasje wijn en vertelt Carl over zijn vele avonturen. Hij is een goede verteller. Met open mond hangen we aan zijn lippen. Stiekem vraag ik me af of de verhalen wel waar zijn, maar dan laat hij de foto’s en zijn littekens zien.

Zeezeilers_Noorwegen_140417_037
Foto Johan Detollenaere

De zon schijnt en de lucht is zo blauw dat het bijna zeer doet aan mijn ogen

De vele wind die voorspeld was blijft uit. Er staat zelfs zo weinig wind dat we de volgende dag op de motor vertrekken richting het noorden. De Nederlander die eerder naar ons zwaaide brengt ons een bezoek en zwaait ons uit vanaf de kade. Ik heb rust in mijn hoofd. Na een week op zee heb ik alles onder controle. Ik snap het. Er zijn geen verrassingen meer. Ik begrijp het navigeren, de keuzes die we maken en we hebben allemaal ons ritme gevonden in ons tijdelijk huis.
‘Twaalf knopen wind,’ roep ik. ‘Jaap, zullen we de zeilen hijsen.’
Jaap schudt zijn hoofd.
‘Waarom niet? Kijk daar zeilt ook een boot,’ ik wijs naar een catamaran voor me. ‘Marc, wat vind jij?’ ‘Ik weet het niet.’
‘Jaap?’
‘Ok. Rol de genua maar uit.’
‘Moeten we niet eerst het grootzeil hijsen?’
‘Laten we eerst kijken of er wel genoeg wind staat. Het kan ook een valwind of terrein-effect wind zijn. We komen namelijk uit een beschut stuk.’
Ik kijk naar de windmeter. Die alweer is ingezakt naar 8 knopen.
‘We gaan het proberen, ‘ ik trek aan de genuaschot. Marc en Jaap helpen me.
‘Wat gebeurt er?’ Jacqueline steekt haar hoofd naar buiten.
‘Er staat wind.’
Ze lacht.
Jaap zet de motor in zijn vrij. De genua valt vrijwel direct dood. De wind is nog meer ingezakt. 5 knopen.
‘Rol jij het weer in,’ zegt Marc.
Ik haal mijn schouders op: ‘Hebben we toch nog heel even gezeild.’
Ik ga op de punt van de boot zitten met mijn rug tegen de mast. Zo hoor ik de motor bijna niet. De zon schijnt en de lucht is zo blauw dat het bijna zeer doet aan mijn ogen.

Zeezeilers_Noorwegen_130417_017‘Gerie, wil je even naar achteren komen,’ roept Jacqueline.
Marc staat met een briefje in zijn hand in de kajuit: ‘We gaan zo een stukje navigeren in een speeltuin vol kleine eilandjes en rotsen. We gaan daar tussendoor.’ Hij wijst naar voren en houdt het briefje voor zich waar hij de route heeft getekend. ‘Er moet veel gepeild worden, dus ik heb voor iedereen een taak.’
‘Djurre even wat gas terug,’ zegt Jacqueline.
We varen de speeltuin in vol rotsen, zalmkwekerijen en wat voor anker liggende bootjes. Het voelt als een examen. Als we hier zonder fouten doorheen komen zijn we geslaagd.
‘Als we de vuurtoren op 340 graden hebben kunnen we naar stuurboord,’ zegt Marc.
‘Iets meer naar bakboord. Je zit te dicht op die rotsen,’ zegt Jacqueline tegen Djurre met een halve blik op het kompas. ‘Ik zie dat vuurtorentje niet.’

We varen onze eigen route, niet blindelings achter iets anders aan

Met zijn allen staan we op het dek te zoeken naar een torentje.
Met een glimlach van oor tot oor kijk ik om me heen: ‘Dit is toch een fantastische manier om les te krijgen.’
Geen reactie. Iedereen is geconcentreerd bezig. ‘Mag ik eens kijken. Misschien zie ik het torentje.’ Jaap geeft me de verrekijker. Niets te zien. Jacqueline en Marc zijn binnen aan het kijken op de kaart.
‘En nu?’ Vraagt Djurre.
‘Er komt een boot aan,’ roep ik.
‘We kunnen ook die boot volgen,’ merkt Carl op.
‘Die kant moeten wij ook uit, maar dat is niet helemaal de bedoeling,’ zegt Jacqueline. ‘We varen onze eigen route, niet blindelings achter iets anders aan.’
Uiteindelijk vinden we een kleine paal met het licht er op. We zitten precies goed en kunnen via de veilige weg verder weer de speeltuin uit.

Zeezeilers_Noorwegen_140417_076 ‘Heb je je paspoort al gevonden?’ Vraag ik aan Jan Arnoud.
‘Nee.’
‘Misschien ligt ‘ie in het snoepkastje. Daar ben je het meest geweest deze reis.’
‘O, je moet echt oppassen!’ En toch gaat hij kijken.
Carl buldert van het lachen.
Aan het eind van de middag komen we aan in Kleppavika, een klein haventje tussen de hoge rotsen. Samen met Djurre bereid ik de laatste tocht richting Bergen voor. De weervoorspelling is weer niet goed. Geen wind. Ik wrijf mijn handen door mijn haar.
‘En weten jullie het al?’ Jacqueline kijkt ons hoopvol aan.
‘Willen we nog zeilen dan moeten we buitenom naar Bergen,’ merkt Johan op.
Djurre zucht: ‘Dat is meer dan 60 mijl.’
‘Redden we dat in een dag met weinig wind?’ Vraag ik. ‘Want wat als de wind wegvalt? Dan gaan we voor niets buitenom. De route tussen de fjorden is maar 20 mijl.’
‘Laten we morgenochtend de knoop doorhakken,’ stelt Djurre voor.

Hier is het vrij open. Hoe het tussen de fjorden is, dat weten we niet

We presenteren de volgende ochtend de twee routes aan de groep.
‘Hebben jullie al naar buiten gekeken?’ Jacqueline kijkt streng.
Ik schud mijn hoofd.
‘Er staat genoeg wind. Je hoort het zelfs. Altijd ook naar buiten kijken. Ook over de havenpieren naar zee.’
‘Hier is het vrij open. Hoe het tussen de fjorden is, dat weten we niet,’ zeg ik.
Djurre en ik zijn er nog niet uit.
Johan schraapt zijn keel: ‘Waarom niet hier in het open stuk de zeilen hijsen. Hier staat genoeg wind, gaan we een paar keer overstag. Lekker even zeilen. We hebben tijd zat. Mocht er genoeg wind zijn dan laten we de zeilen staan en anders gaan we op de motor het laatste stuk, maar dan hebben we toch nog even gezeild.’
‘Ja!,’ gil ik bijna. ‘Dank Johan voor het doorhakken van de knoop.’
Iedereen stemt voor het idee van Johan.
‘Hier is je paspoort Jan Arnoud.’ Jaap geeft het paspoort. ‘Ik had hem per ongeluk gepakt. Sorry.’

Met de zeilen als een melkmeisje gaan we vervolgens onder een brug door

De laatste vaardag brengt een cadeautje met zich mee. Wind. Genoeg wind om zeilend door de fjorden het laatste stuk af te leggen. Onder genot van heerlijke cappuccino’s gemaakt door Carl en een stroopwafel zeilen we nu echt door de Noorse fjorden.
‘Ik lust wel een dropje?’ Jacqueline opent het snoepkastje.
‘Lekker,’ zegt Jan Arnoud.
‘Zullen we daar even mee wachten,’ stel ik voor. ‘Anders hebben we vanmiddag niets meer op te kauwen.’
Jacqueline sluit het kastje en kijkt me met grote ogen aan.
‘Ja,’ lach ik.
‘Ok,’ mompelt ze.
‘Kunnen we daar onderdoor Gerie?’ Jaap wijst naar de stroomdraden.
Ik schrik. Die had ik niet gezien op de kaart. Ik snel naar binnen.
Jaap komt achter me aan: ‘Ook dit staat in de kaart.’
‘Ow… 60 meter. Dank Jaap, want dat had ik moeten zien.’
Met de zeilen als een melkmeisje gaan we vervolgens onder een brug door.
‘Ik zou nog wel tien dagen weg kunnen met jullie,’ zegt Jan Arnoud.
‘Ik ook, maar dan gaan we wel eerst de boot heel goed schoonmaken en alles wassen,’ lach ik. ‘Mijn slaapzak en al mijn kleren zijn klam.’
‘Dropje?’ Vraagt Jacqueline een paar uur later.
‘Ja, lekker.’ Ik zit met Carl en Johan buiten in de kuip
Ze geeft me de zak die leeg aanvoelt. ‘Er zit bijna niets in,’ roep ik naar beneden.
Geen reactie.
Ik tel en verdeel de dropjes: ‘Drie voor Johan, drie voor Carl en drie voor mij.’
‘Gerie, kijk eens,’ giechelt Jacqueline. Ze heeft haar twee handen vol drop. ‘Je had je gezicht moeten zien.’
We lachen. Ik het hardst.
Een rits aan gekleurde houten huisjes tegen een steile bergwand met op de top sneeuw komt in zicht. We strijken de zeilen.
‘We made it! Bergen. Wat een allemachtig prachtig avontuur.’

Gerie Smit

Reacties

Reacties